1. Home
  2. Maatschappijleer (HAVO)
  3. Domein D: Verzorgingsstaat
  4. Kerndoel 2 – Sociale rechten en plichten; kenmerken van een verzorgingsstaat

Kerndoel 2 – Sociale rechten en plichten; kenmerken van een verzorgingsstaat

Sociale rechten en plichten

 Voorbeelden van sociale rechten en plichten die inwoners van Nederland
hebben, herleiden tot wetten en artikelen in de Grondwet.

Er zijn twee soorten grondrechten:

    • ‘Klassieke’ grondrechten: de burgerlijke en politieke rechten. Dit zijn onder andere het kiesrecht, vrijheid van meningsuiting, recht op privacy, godsdienstvrijheid en het discriminatieverbod. Hier kan een rechter dwingend optreden.
    • ‘Sociale’ grondrechten: de economische, sociale en culturele rechten. Dit zijn onder rechten die gaan over:
      • voldoende werkgelegenheid (art. 19);
      • bestaanszekerheid en welvaart (art. 20);
      • een goed leefmilieu (art. 21);
      • volksgezondheid en voldoende woongelegenheid (art. 22);
      • goed onderwijs (art. 23)

Hier kan een rechter niet dwingend optreden, met als uitzondering onderwijs (wat naast een recht ook een plicht is).

In Nederland hebben we bijvoorbeeld deze sociale rechten:

• De overheid is verplicht haar best te doen voor voldoende werkgelegenheid
• De overheid is verplicht haar beste te doen om de volksgezondheid te bewaken
• Je hebt op sociale zekerheid (uitkering, bijstand etc.)
• Je hebt recht op huisvesting / een woonruimte
• Je hebt recht op onderwijs

In Nederland hebben we bijvoorbeeld deze sociale plichten:

• Ouders moeten hun kind onderhouden
• Je moet een zorgverzekering hebben
• Je bent leerplichtig

Waarden verzorgingsstaat

 De waarden noemen die ten grondslag liggen aan de verzorgingsstaat.

Nederland is een democratie waarbij de verschillende politieke stromingen invloed hebben op het overheidsbeleid ten aanzien van de verzorgingsstaat:

Socialistische stroming: SP, PvdA, GL, PvdD, 50+, DENK, PVV (op dit gebied)
Willen een zo’n klein mogelijk verschil tussen arm en rijk, vinden het de taak van de overheid om voor de burgers te zorgen (sterke verzorgingsstaat), willen daarvoor duidelijke wetten en vinden dat rijke mensen meer belastingen moeten gaan betalen en armere mensen minder.

Liberale stroming: VVD, D66, FvD
Vinden dat verschil tussen arm en rijk er mag zijn, vinden dat de overheid zich niet te veel moet bemoeien met de burgers maar dat zij zelf verantwoordelijk zijn voor hun eigen succes (soort van nachtwakersstaat). Zij willen daarom niet te veel regels en vinden dat rijke en arme mensen voldoende belasting betalen. De PVV is een rechtse, liberale partij, maar is op dit gebied erg links.

Christelijke stroming: CDA, CU, SGP
Verschillen van mening, zitten over het algemeen tussen de linkse, sociale en rechtse, liberale stroming in. Vinden het gezin en zorgen voor elkaar wel erg belangrijk.

Kenmerken verzorgingsstaat

De kenmerken van de Nederlandse verzorgingsstaat beschrijven.

De Nederlandse overheid bemoeit zich actief met de welvaart en het welzijn van de inwoners. Welvaart is de mate waarin mensen in over voldoende middelen beschikken om hun behoefte te vervullen. Welzijn is de mate waarin mensen tevreden zijn over hun lichamelijke en geestelijke gezondheid. Voordat in 1962 de term verzorgingsstaat voor het eerst werd gebruikt, werd er gesproken over een ‘welvaartsstaat’, waarbij de overheid zich alleen inspande om de burgers te behoeden voor armoede.

Binnen de Nederlandse verzorgingsstaat zijn 4 belangrijke pijlers:

Onderwijs 
Een goede opleiding vergroot je kans op de (arbeids)participatie. Ook om internationaal te concurreren zijn er hoogopgeleide mensen nodig. Inwoners van Nederland hebben recht op onderwijs en worden financieel geholpen waar nodig om het mogelijk te maken.

Gezondheidszorg 
Goede zorg vergroot je kans op (arbeids)participatie. Inwoners van Nederland zijn verplicht een zorgverzekering te hebben. Zij betalen (voor een deel) jouw ziektekosten (tandarts, huisarts, ziekenhuis etc.). Inwoners van Nederland worden financieel geholpen waar nodig om het mogelijk te maken.

Sociale zekerheid
We betalen sociale premies. Deze worden gebruikt voor werknemersverzekeringen (WW, WIA, etc.) en volksverzekeringen (AOW, ANW, kinderbijslag, etc.). Dit wordt van je brutoloon ingehouden. Ook zijn er sociale voorzieningen, voor mensen die de premies niet kunnen betalen (zoals de bijstand).

Kunst en Cultuur
De overheid financiert musea, organisaties en culturele activiteiten. Dit met als doel om bij te dragen aan het welzijn van de burgers.

Er zijn verschillende soorten verzorgingsstaten. In Nederland heeft de verzorgingsstaat kenmerken van het  sociaaldemocratische en Corporatische type. Dit houd in dat we een actief arbeidsmarktbeleid hebben met redelijk tot goede vrouwenparticipatie en gemiddelde tot bovengemiddelde pensioenen. Het doel van het stelsel van sociale zekerheid is de inkomensbescherming voor sociale risico’s. Er zijn werknemersverzekeringen en volksverzekeringen die betaald worden uit premies,
maar ook sociale voorzieningen die verzorgd worden door belastinggeld. De twee laatstgenoemden zijn bedoelt voor de hele bevolking.

Soorten verzorgingsstaten 

Sociaaldemocratisch (Scandinavisch)
Uitgebreid stelsel sociale zekerheid. Hoge, vrij algemeen toegankelijke uitkeringen. Actief en kostbaar arbeidsmarktbeleid, hoge vrouwenparticipatie, veel werkgelegenheid sociale sector. Hogebelastingen en premies.

Corporatisch (Continentaal; België, Frankrijk, Duitsland)
Veel voorzieningen, selectievere toekenning, verbonden arbeidsverleden en betaalde premies. Grote rol werknemers- en werkgeversorganisaties. Beperkt arbeidsmarktbeleid. Lagere arbeidsparticipatie vrouwen en oude mannen. Goede ontslagbescherming, bovengemiddeld pensioen. Inkomensbescherming gezin met kinderen.

Liberaal (Angelsaksisch, VK, VS, Australië)
Laag niveau sociale voorzieningen, zeer selectieve toekenning. Uitkeringen lager, korter alleen meest behoeftige. Weinig arbeidsmarktbeleid. Nauwelijks overheidsvoorzieningen voor zorgtaken. Lijkt veel op een nachtwakersstaat.

Mediterrane (Griekenland, Spanje, Italië)
Ruime voorzieningen voor werkende en hoge pensioenen, verder beperkt.

Nieuwe Lidstaat (Polen, Hongarije)
Vrij weinig voorzieningen, tussen corporatisch en liberaal in.

Nederland qua kenmerken mengvorm corporatisch en sociaaldemocratisch maar in politiek opzicht tussen liberaal en sociaaldemocratisch. De solidariteit van de verzorgingsstaat en de vrijheid van de markteconomie.

Werknemersverzekeringen en
volksverzekeringen

 Overeenkomsten en verschillen tussen werknemersverzekeringen en
volksverzekeringen uitleggen en van beide voorbeelden noemen.

Werknemersverzekeringen en volksverzekeringen zijn sociale verzekeringen tegen inkomensverlies door bijvoorbeeld werkloosheid, ouderdom, ziekte of arbeidsongeschiktheid.

Werknemersverzekeringen zijn voor iedere werknemer verplicht. De werknemersverzekeringen zijn:
• Werkloosheidswet (WW)
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA)
• Ziektewet (ZW)

Volksverzekeringen zijn verplicht voor iedereen die in Nederland werkt of woont. De volksverzekeringen zijn:
• Algemene nabestaandenwet (Anw)
• Algemene Ouderdomswet (AOW)
Wet langdurige zorg (Wlz)
• Algemene Kinderbijslagwet (AKW)

De verzekeringen worden ingehouden van je brutoloon.

Sociale verzekeringen en sociale
voorzieningen

 Overeenkomsten en verschillen tussen sociale verzekeringen en sociale
voorzieningen uitleggen en van beide ook voorbeelden noemen.

De werknemersverzekering en volksverzekering geven je recht op sociale voorzieningen:

  • Een AOW-uitkering als je op je 66ste met pensioen gaat.
  • Een uitkering als je man of vrouw overlijd (Anw)
  • Een uitkering als je door een ziekte niet kunt werken (ziektewet)
  • Een werkloosheidsuitkering als je tijdelijk werkloos bent (WW) een deel van je oude loon. Dit krijg je maar een bepaalde tijd.
  • Als je geen andere inkomsten hebt: de bijstand. Dit is een vast bedrag per maand, ongeacht hoeveel je daarvoor verdiende.
  • Een uitkering als je voor een deel niet kunt werken (WIA).

Emancipatiebeleid en positieve discriminatie

Uitleggen wat het emancipatiebeleid inhoudt en wat positieve discriminatie is.

Niet iedereen heeft gelijke kansen op de arbeidsmarkt. Enkele voorbeelden van groepen mensen die een slechtere positie hebben op de arbeidsmarkt:

• Vrouwen en niet-westerse allochtonen
Tot in de jaren ’70 was het in de meeste gezinnen zo dat de man werkte en de vrouw thuis voor de kinderen zorgde. Vrouwen werkte dan ook niet of nauwelijks. Al hoewel dat tegenwoordig wel anders is, blijft het zo dat bij veel beroepen vooral mannen een hogere functie hebben: het zit in de bedrijfscultuur. Niet-westerse allochtonen krijgen überhaupt moeilijker een baan: bedrijven kiezen sneller voor iemand met een autochtone achtergrond. Vaak komt dit door vooroordelen, zoals dat niet-westerse allochtonen slechter Nederlandse spreken of niet te vertrouwen zijn. Daarnaast hebben niet-westerse allochtonen vaak geen vrienden of familie (netwerk) die hun goed aan een baan kunnen helpen.

• 55-plussers
Oudere werknemer zijn vaak duurder, gaan soms bijna met pensioen en vinden het omgaan met informatisering soms lastig. Bedrijven kiezen daarom soms liever voor een jongere werknemer. Om dit probleem tegen te gaan worden er soms campagnes gehouden (tv spots, folders etc.) om bedrijven duidelijk te maken dat 55-plussers juist handig zijn: zij hebben veel ervaring en kunnen jongere werknemers ondersteunen en opleiden.

Om de discriminatie van beide groepen tegen te gaan hebben organisaties of bedrijven soms een emancipatiebeleid: zij streven naar de achtergestelde groepen een volwaardige plaats in hun organisatie te bieden. Dit doen zij onder andere door positieve discriminatie: bedrijven kiezen dan bij het vervullen van een vacature, als er meerdere mensen geschikt zijn, juist iemand die een slechtere positie heeft op de arbeidsmarkt. Zo kan een bedrijf er voor kiezen dat minimaal 50% van de leidinggevende een vrouw moet zijn. De overheid is de laatste jaren actief bezig met een landelijk emancipatiebeleid.

 

Was this article helpful?